Een kind knielt bij het licht van een lantaarn
raapt scherven op van bommen en Romeinen
weet niet wanneer ze zijn gebroken
maar snijden doen ze beide.
De stad op dekzand weet de plaats
van heiligdommen en papier, hoort stemmen
op een plein waar ooit de herbergiers
paarden en hun ruiters voedden
en al het volk van de rivier.
Het kind graaft door, betast de tijden
in het zand, proeft klei, gewijde grond en ijzer
en kan al bijna hardop lezen
wat in Latijn geschreven stond.
Wij zien het aan en zwerven langs eeuwen
door de stad, vermoeden onder elke steen
en stoeprand, tussen beekeerdgrond en scherven,
de afdruk van een kinderhand.