Ga naar de inhoud

Korte verhalen - Laurens Hoevenaren

Menu overslaan
Menu overslaan
TOELICHTING
De werkgroep “De Vrijheidsboom” ging samen met de gemeente Brummen naar aanleiding van “Tachtig jaar vrijheid” op zoek naar verhalen.

Tachtig jaar geleden eindigde immers de Tweede Wereldoorlog en werden ook Brummen en Eerbeek bevrijd. Dat hebben veel bomen meegemaakt.
Er werd een speciale verhalenwedstrijd georganiseerd waarbij er in ieder geval sprake moest zijn van een boom die herinnert aan de bevrijding of inspireert tot vrijheid. De boom mocht hierbij een hoofdrol spelen of alleen aanleiding zijn tot een bespiegeling.

Op 5 mei 2025 las Laurens zijn verhaal in de trouwzaal van het gemeentehuis van Brummen voor.
In de zomer van 2025 is dit verhaal gepubliceerd in het magazine van de Bomenstichting.
Lees verder na foto bloem
Foto: website floravannederland
        Lindebloesem

Op de dag dat ze de eeuwenoude linde om zouden zagen, had ik me verstopt in de geitenstal. Gisteravond, aan de bar bij Concordia, hadden mijn vrienden gezegd dat ze me op weg naar het Marktplein zouden ophalen, en ik durfde niets te zeggen. Toen nog niet.
In de stal hing de typische geur van geiten en vers hooi. Onze twee geiten keken me nieuwsgierig aan maar negeerden me zodra ze merkten ik ze geen eten kwam brengen. Door het stoffige raam viel het scherpe lentelicht naar binnen. Een donzige hommel zoemde bronstig tegen het glas, gelokt door de zon.
Na een kwartier hoorde ik stemmen, gevolgd door het bonzen op de voordeur van onze kleine boerderij. Mijn moeder zou hen vast en zeker koffie aanbieden die ze beleefd zouden weigeren. De veel te sterke koffie van mijn moeder, aangelengd met lauwe geitenmelk, was legendarisch in het dorp.

Al snel hoorde ik opnieuw geroep en gezang en inderdaad, ze gingen al verder, zwaaiend met trekzagen en bijlen, op weg naar de linde. Het halve dorp zou er zijn, ongetwijfeld net zo opgetogen als tijdens het vogelschieten in de eerste zomer na de bevrijding.
Men beweerde dat de linde nog stamde uit de tijd van Napoleon. Ieder jaar ontvouwde zij haar frisgroene blad en wit-gele bloemen met een delicate geur. Vroeger dacht men dat de nectar van de lindebloesem giftig was, omdat er later in het seizoen altijd veel dode bijen en hommels onder de boom lagen. Men wist niet dat de zoete geur van lindebloesem haar aantrekkingskracht houdt, ook als de nectar op is: de hommels gaan dood van de honger.
Het was onder deze boom, mei 1941, dat Jonathan en ik elkaar voor het eerst kusten. Hij was negentien, ik twee jaar jonger. Zijn vader was tot de oorlog eerste violist bij de Arnhemsche Orchest Vereeniging, het latere Gelders Orkest. Ook Jonathan was muzikaal. Hij speelde piano.
Ik had hem ooit in de grote villa voor het open raam horen spelen. De zachte weemoed in zijn spel ontroerde me. Zijn moeder gaf pianoles. Zou ik misschien...?  
‘Niks ervan,’ had mijn vader gezegd, en oma Angenie, die in de voorkamer woonde, snoof.
‘Dat zijn geen lui voor ons.’

Die zomer zwierf ik vaak over het Jodenpad aan de achterkant van hun huis. De ramen waren bijna altijd dicht.
Die eerste, schuchtere zoen onder de linde. We schrokken er allebei van. Was dit echt wat hij wilde, wat ik wilde? We keken schichtig om ons heen, zoals mensen doen wanneer ze op straat uitglijden en vallen. Schaamte verdraagt men slechter dan pijn.
Sindsdien spraken we af bij een eendenput op het Leusveld, niet ver van het Hallsepad. In de drie jaar die volgden werden onze heimelijke ontmoetingen schaarser en hartstochtelijker. We spraken nauwelijks met elkaar. Ik wist dat hij in het verzet zat maar hij zweeg er altijd over. “Hoe minder je weet, hoe veiliger.”

In mei 1944 werd hij opgepakt en diezelfde avond op het Marktplein samen met vier andere jongemannen gefusilleerd. Nadat hun lichamen waren afgevoerd, zaten de Duitse soldaten nog tot laat in de avond te drinken en te zingen, totdat een hogere in rang hen naar binnen blafte.
Een jaar na de oorlog diende een aantal ouders van de vermoorde jongens een verzoek bij de gemeenteraad in. De linde moest weg. Volgens hen was de boom een symbool geworden van geweld en moord. Niemand durfde te protesteren; men oordeelt niet over andermans rouw.

In de geitenstal hoorde ik de bijlslagen en het geroep vanaf het plein. Er leek geen eind aan te komen, de boom met een omtrek van bijna twee meter gaf zich niet zomaar gewonnen. Na meer dan twee uur verstomde het geroep, ik hoorde alleen nog de slagen van de bijl, in een rustig en vastberaden tempo.
Het werd doodstil op het plein. Nog twee slagen, en daarna stil, heel even heel stil en dan een kraken, een kraken dat in het hart begint, zich uitbreidt, sterker wordt, in groter kraken overgaat als brekend ijs, zich mengt met het juichen en roepen van de mensen, tot het moment van de dreunende klap en daarna de ontzagwekkende stilte. Niemand zou vandaag de jaarringen tellen.

Ik heb nog een kwartier in het geitenschuurtje gezeten. In de keuken stond het  geëmailleerde koffieketeltje op de salamanderkachel te pruttelen.
“Waar zat je toch al die tijd jongen,” zei mijn moeder, zonder antwoord te verwachten.
Die nacht droomde ik dat er een nieuwe linde was geplant en dat ieder daar onder de brede hoge kroon zichzelf mocht zijn, zonder schaamte, zonder angst.  

Laurens Hoevenaren - dichter en schrijver
Voor contact op button in menu klikken
Menu overslaan
Terug naar de inhoud